024 – 30 30 390 algemeen@alkemadevanpassel.nl
Selecteer een pagina

Normaal gesproken bestaat recht op een transitievergoeding bij beëindiging door een werkgever van een arbeidsovereenkomst die ten minste 24 maanden (2 jaar) heeft geduurd. Maar is dat ook zo als er slechts sprake is van gedeeltelijk ontslag?

Veel minder uren, maar geen transitievergoeding?

Op 14 september jl., ruim drie jaar na de inwerkingtreding van het nieuwe ontslagrecht (1 juli 2015) en de regeling van de transitievergoeding, heeft de Hoge Raad een arrest gewezen waarin wordt ingegaan op de (voor de praktijk belangrijke) vraag of bij gedeeltelijk ontslag recht kan bestaan op een (gedeeltelijke) transitievergoeding.

De casus betrof een ontslag van een gedeeltelijk arbeidsongeschikte lerares gevolgd door een benoeming (in dezelfde functie) voor (aanzienlijk) minder uren. De werkneemster in kwestie meende recht te hebben op een transitievergoeding omdat de Wet (artikel 7:673 van het Burgerlijk Wetboek) dit recht verbindt aan de situatie waarin een werkgever een arbeidsovereenkomst opzegt die ten minste 24 maanden heeft geduurd (waarvan in dit geval sprake was).

Werkneemster vond voor dit standpunt gehoor bij de Kantonrechter die aan haar een transitievergoeding toekende gerelateerd aan het aantal uren waarmee de omvang van het dienstverband was teruggebracht.

Het gerechtshof in hoger beroep

De hoger beroepsrechter (het Gerechtshof) kwam tot een ander oordeel en wees het verzoek van werkneemster om een transitievergoeding (volledig) af. Deze vond namelijk dat in werkelijkheid geen sprake was van een opzegging van de arbeidsovereenkomst, maar van het door werkgever en werkneemster (in overleg) aanpassen van de arbeidsovereenkomst aan de gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van werkneemster wat naar de letter van de Wet geen aanspraak geeft op een transitievergoeding.

De Hoge Raad uiteindelijk

De Hoge Raad vernietigde uiteindelijk de beschikking van het Gerechtshof en bekrachtigde de beschikking van de Kantonrechter waardoor werkneemster uiteindelijk toch (weer) recht kreeg op een transitievergoeding.

Evenals het Gerechtshof vond de Hoge Raad dat er in dit geval sprake is van een voortzetting van de bestaande arbeidsovereenkomst in aangepaste vorm, maar in tegenstelling tot het Gerechtshof oordeelde de Hoge Raad dat een dergelijke situatie (toch) moet worden gezien als een gedeeltelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst die ertoe leidt dat de werkgever transitievergoeding verschuldigd is.

Letterlijk overweegt de Hoge Raad:

“Desalniettemin moet de mogelijkheid van gedeeltelijk ontslag met daaraan gekoppeld de aanspraak op een gedeeltelijke transitievergoeding wel worden aanvaard voor het bijzondere geval dat, door omstandigheden gedwongen, wordt overgegaan tot een substantiële en structurele vermindering van de arbeidstijd van de werknemer. Hierbij valt te denken aan het noodzakelijkerwijs gedeeltelijk vervallen van arbeidsplaatsen wegens bedrijfseconomische omstandigheden en aanblijvende gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van de werknemer”.

Recht op een gedeeltelijke transitievergoeding

De Hoge Raad meent dus dat in gevallen waarin sprake is van een substantiële en structurele vermindering van de arbeidsduur, als gevolg van het noodzakelijkerwijs gedeeltelijk vervallen van arbeidsplaatsen wegens bedrijfseconomische omstandigheden en aanblijvende gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van de werknemer, recht kan bestaan op een gedeeltelijke transitievergoeding. Het doet er daarbij volgens de Hoge Raad niet toe of die vermindering van de arbeidsduur wordt gerealiseerd door een gedeeltelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst, een algeheel ontslag gevolgd door een nieuwe, aangepaste, arbeidsovereenkomst of een aanpassing van de arbeidsovereenkomst. Wel dient, zoals gezegd, de vermindering substantieel en structureel te zijn, dat wil zeggen met ten minste twintig procent en naar redelijke verwachting blijvend.

En als er dan recht bestaat op een gedeeltelijke transitievergoeding, hoe moet deze vergoeding dan worden berekend ? Ook op deze vraag geeft de Hoge Raad een antwoord in zijn arrest. De gedeeltelijke transitievergoeding dient volgens de Hoge Raad berekend te worden naar evenredigheid van de vermindering van de arbeidstijd, pro rata dus, en uitgaande van het loon waarop voorheen aanspraak bestond.

Omdat het arrest “vers van de pers” is, moet worden afgewacht hoe de daarin geformuleerde rechtsregels in de praktijk (en door lagere rechters) toegepast gaan worden. Daarover valt dus nog niet veel te zeggen. Gezien het belang van het arrest voor de praktijk mag worden verwacht dat het laatste spoedig anders zal zijn.

Arbeidsrechtelijke vragen? Neem voor meer informatie contact op met:

mr. W.J.B.M. Alkemade